achtergrond:

Armoede neemt steeds verder toe

Koningen komen en gaan, maar voor de eenvoudige werkman blijft de malaise bestaan. In 1810 verdwijnt koning Lodewijk Napoleon op last van zijn broer, keizer Napoleon. Hij lijft Nederland in bij het Franse keizerrijk. Handel, zeevaart, visserij en industrie (inclusief de stijfselmakerijen) leiden een kwijnend bestaan. De drukke Amsterdamse haven beleeft treurige tijden. In 1808 varen nog maar 390 schepen de haven in, in 1811 loopt er geen enkel schip meer binnen. De armoede neemt verder toe. Overal zwerven bedelaars door de straten.

Conscriptie
Loting voor dienstplicht in Napoleons legers.

De Nederlanders voelen zich overheerst en gedupeerd door vreemdelingen. De censuur, de geheime politie, de strenge overheidsbemoeienis met van alles en nog wat, maar vooral de conscriptie (dienstplicht met loting) wekken wrevel. Napoleon kijkt niet op een oorlog meer of minder en Nederlandse jongemannen moeten meedoen. Weesjongens van 16 tot en met 23 jaar worden verplicht om als kwekeling in vreemde dienst te treden. In 1812 trekt Napoleon met een leger van een half miljoen op tegen de Russen. Ze bereiken Moskou, maar de stad brandt en de keizer moet tot de terugtocht besluiten. Koude, honger, uitputting en kozakken maken deze terugtocht door de eindeloze sneeuwvlakten tot een tragedie. De overtocht over de Beresina wordt een verschrikking. Slechts weinigen van de Grote Armee zien hun vaderland terug.

Terugtocht uit Rusland
De barre terugtocht uit Rusland.

Napoleon verliest dan ook nog eens de volkenslag bij Leipzig en lijdt tenslotte zijn definitieve nederlaag bij Waterloo tegen een Engels-Nederlands leger. Nederland krijgt zijn volgende koning: Willem I, die nog Willem Frederik heet als hij per visserspink van Engeland naar Scheveningen vaart. Hij mag regeren over een groot koninkrijk, want Noord- en Zuid-Nederland zijn samengevoegd om de sterke bovenbuur van Frankrijk te worden. Willem I probeert het verarmde koninkrijk er weer bovenop te helpen en neemt vele initiatieven. Er komen bankbiljetten, betere wegen en kanalen. Het Noordhol­lands Kanaal wordt gegraven. Van Gend en Loos raast over de wegen. Amsterdam en Haarlem worden verbonden door een spoorweg, waarover vijf keer per dag de stoomslepers heen en weer gaan. De industrie, handel, scheepvaart, landbouw en visserij krijgen koninklijke impulsen. En de armen krijgen weldadigheid.

Maar de Belgen mopperen. Eerst Brussel en dan later half België komt in opstand tegen de Nederlandse overheersing. Van Speyck vliegt als een held de lucht in, een Tiendaagse Veldtocht vindt plaats, kloeke taal wordt gesproken, maar het einde van het heldenlied is de afscheiding van België. De koning verliest zodoende niet alleen een deel van zijn koninkrijk, maar ook een groot deel van zijn populariteit. Zijn grote militaire uitgaven worden hem niet in dank afgenomen. Verbitterd door zijn nederlaag, teleurgesteld door de groeiende liberale oppositie, moedeloos door de slechte economische situatie van zijn land en geprikkeld door het verzet tegen zijn voorgenomen huwelijk met een katholieke gravin uit België, doet de koning afstand van de troon. Willem I gaat, Willem II komt.

Willem II
Koning Willem II.