Achtergrond -

de stormvloed van 1825

Watersnood
Het water maakt een gat in de Wormer Ringdijk en stroomt de polder in.

Op 4 februari 1825, 's avond omstreeks elf uur, wordt in Oostzaan de noodklok geluid. Er staat een hevige noordwester storm en de zeedijk wordt bedreigd. Op enkele plaatsen loopt het water al over de dijk heen. De Oostzaners wachten in angstige spanning af of de dijk het zal houden. Tot aller opluchting houdt de zeedijk stand tegen het woeste water. Maar de opluchting is misplaatst. De ramp slaat van de andere kant, vanuit het oosten toe.

Bij Durgerdam, op de hoek van het open IJ en de Zuiderzee, zwiept de hevige noordwester het water met zoveel geweld tegen de dijk, dat die om drie uur 's middags bezwijkt, even buiten het Oosteind, waar de waterkering door steunberen is versterkt. De steunbeer is een militair obstakel, opgericht uit angst voor een invasie van de Engelsen. Maar de bouwers hebben te korte heipalen gebruikt, waardoor het obstakel gemakkelijk door het woedende water kan worden opgetild, weggedrukt en naar binnen geperst.

Door het uitslaan der specie van den dijk had eene ontgronding van voornoemden beer plaats, welke door deze overstrooming en afkalving de helft steun verloor; zoodat het geheele ligchaam des beers allervermoedelijkst wegschoof of kantelde. Zoodanig was de vermoedelijke toedracht, want niemand had gezien hoe zich de eigenlijke doorbraak had toegedragen"
, zo zal het later in een officïeel rapport staan.

De schout van Ransdorp, Durgerdam en Holysloot heeft nog om twee uur zijn jongste zoon de steunberen laten controleren, maar die heeft niets bijzonders ontdekt. Na de melding "gat in de dijk" wordt meteen groot alarm geslagen. Met zeilen wordt geprobeerd het gat te dichten en het water te keren. Vooral Jan Pasterkamp, Jan Posch de jonge en Lourens Leujes vechten als leeuwen. Het mag niet baten. De woeste zee slaat in de zeedijk een gat van 125 el lengte en 30 el diep. Het water stort zich naar binnen, waaiert uit en schuimend, rollend over de velden, bruisend en klotsend gaat heel Waterland ten onder. Ruim 10.000 morgen poldergebied lopen vol water. Het dorp Durgerdam zelf blijft tamelijk gespaard, maar in de lager gelegen kerk staat het water al gauw 60 duim boven de zerken, hetgeen een chaos veroorzaakt. Eenige kisten lagen aboven en door elkander voor het oog des aanschouwers verspreid.

In Ransdorp vluchten de bewoners voor het water naar het raadhuis, een hoog stenen gebouw. Eén inwoner komt om het leven. Tijd om het vee te redden is er niet. Er verdrinken 2 paarden, 116 stuks hoornvee en 259 schapen. Met de melkschuit en andere zeilschepen worden de volgende dag mensen uit hun huizen gehaald en naar Durgerdam gebracht.

Gat bij Durgerdam
De dijk bij Durgerdam is doorbroken door het tomeloze water.

's Avonds om half acht bereikt het water Broek in Waterland. Als het water onrustbarend begint te stijgen, worden 300 stuks vee inderhaast naar de kerk gebracht. Veertig andere staan dagenlang op de brug bij de ingang van het dorp. Op een zolder, waar 30 mensen gevlucht zijn, wordt een kind geboren. In Broek verdrinken 314 koeien, 1096 schapen en 13 paarden.

Het water is niet te stuiten. Het bereikt Zuiderwoude, waar de angstige inwoners zoveel mogelijk vee naar de kerk drijven. Ook Monnickendam loopt ook onder; Honderden inwoners vluchten naar delen van de Kerkstraat en het Noordeinde, die droog blijven. Tot overmaat van ramp slaat ook nog eens de bliksem in de kerktoren en zet het gevaarte in lichterlaaie. Het vuur wordt snel geblust door een keten van mannen, die elkaar emmers met bluswater doorgeven.

Het water vervolgt zijn vernietigende opmars. In de avond bereikt het de Luyendijk langs het Twiske. De dijk is niet als waterkering in geval van nood gebouwd en blijkt een makkelijke hindernis. De Luyendijk bezwijkt. Drie inwoners verdrinken, onder wie Klaas de Wit die zijn oude buurman probeert te redden. Hier komen 434 koeien, 742 schapen, 12 paarden en 37 varkens om.

Bootje
Een wanhopige familie op zoek naar droog land.

Het water raast verder en bereikt vervolgens Oostzaan. Bruggen over de Gouw worden weggeslagen. Om 4 uur 's morgens staan het noorden en het zuiden van het dorp blank. Drie uur later is het water opgeklommen naar de wat hoger gelegen Kerkbuurt. Schuiten vol mensen en vee zoeken wanhopig naar hoger gelegen delen van de banne: een 'fabriek', een molen of een zolder. Zwemmend of in schuiten wordt vee naar de kerk gebracht. Zelden is de kerk zo vol. Er staan minstens 500 stuks vee in het Godshuis en ook het kerkhof staat vol. Er is evenwel onvoldoende voedsel en nauwelijks zoet water.

Als de balans opgemaakt wordt blijken er 192 koeien, 342 schapen en veel varkens verdronken te zijn en de schade bijna f 100.000 te bedragen. Veel mensen en veel vee worden naar Amsterdam geëvacueerd. De ene vrouw troost de andere: "Och laten wij God danken, dat het ongeluk aan onze zijde en niet Amsterdam overkomen is. Want door Amsterdam worden wij gered en wij bezitten immers geen vermogen om Amsterdam in zulken nood te reddeen".

's Middags bereikt het water Oostzaandam. Het stort zich over de Schinkeldijk in de Zaan en spoelt over de dijk aan de andere kant de Westzaner polder in. Ook hier vee naar de kerk, grote schade aan huizen en boerderijen, veel vee verdronken en naderhand vele verhalen over wonderbaarlijke reddingen, tragische ongelukken en ongekende heldendaden.

Bij Neck zijn de boeren bezig het overstromingsgevaar te keren, als vanuit het Oostzaner veld een gat in de Ringdijk rond de Wijde Wormer wordt geslagen. De Wijde Wormer loopt in één keer vol. Vier inwoners verdrinken. Het wilde water slijpt zo'n diepe kolk, dat ze tot heden ten dage als een groot natuurzwembad dienst doet. Het grootste deel van het vee verdrinkt. Een week na de dijkbreuk worden plunderende polderjongens gearresteerd en naar Amsterdam gebracht.

Ook Marken en Wieringen lopen grote schade op. In Marken worden van de 190 huizen er twintig weg geslagen en storten 50 andere in. Tot in Uitgeest en Akersloot worden de gevolgen van de dijkbreuk ondervonden.

Jan Honig, papierfabrikant uit Zaandijk, neemt die zaterdag met  zijn kinderen in Zaandam een kijkje op de Dam en de Zuiddijk, Daar zitten vele gaten in de weg, zo noteert hij bij thuiskomst in zijn dagboek. In herberg "De Otter" is het water van voor naar achter gelopen. De zeedijk is aan de buitenkant zwaar beschadigd. Rijtuigen kunnen er niet meer over heen. Een watervlakte reikt tot Oostzaan aan toe. Met een allergeweldigst gedruis, aldus Honig, stijgt nog steeds het Zaanwater, omdat de Kalverdijk overloopt.

's Zondags, als de Wormer Ringdijk breekt, begint het Zaanwater weer te dalen. Honig ziet 's avonds in het maanlicht hoe de Zaan veel dood vee, hout en olie meevoert, de Wijde Wormer in. Het geluid van het instromend water is duidelijk te horen. Wie een bovenverdieping heeft, brengt zijn spullen daarheen. Vee wordt naar de Oostzijder kerk gebracht. De schilder J. D. Rijk zal het dramatische tafereel op het linnen vastleggen voor het nageslacht. De armen worden met spek, brood en brandstof bedeeld. Daarvan wordt geen schilderij gemaakt. Ook niet van de zeven plunderaars, die 's donderdags in een schuitje vol geroofde goederen worden aangehouden.

De kroonprins komt kijken. Het is een akelig gezicht, meldt fabrikant Honig, als hij op donderdag naar het Tolhuis rijdt. Men zag ene onafzienbare zee waar men anders weiland zag. De boerenhuizen van Oostzaan staan midden in het water. In het water drijven gebroken huisraad, deuren en vensters, verdronken koeien, schapen en varkens. Vervolgens zeilt Honig met de boeier van zijn vader door het gat in de Wormer Ringdijk de polder binnen. Een ijselijk gezicht. Door eb en vloed heeft het zilte water nog steeds vrij spel. In een boerenhuis vangt een Oostzaner een zoutwatervis.

Als de storm is uitgeraasd en de Waterlanders zijn bekomen van de schrik, worden de gaten gedicht en de dijken hersteld. De schade laat zich traag herstellen. Molens en stoommachines worden ingeschakeld. Opzichter Arend Latenstein van de banne Oostzaan vindt dat de 23 molens het beter doen dan de nieuwe vindingen. Maar meer vooruitstrevende krachten, onder wie koning Willem I, verwachten het heil van de nieuwe techniek. Er worden in totaal zeven stoommachines aangeschaft; 1 van 8 paardekrachten en 1 van 20 pk voor de Wormer, 2 stoommachines van 10 pk voor Waterland en 3 stoommachines van 5 pk voor de Zeevang.  Op 1 mei staan de landen nog onder water, kunnen de boeren met geen mogelijkheid oogsten en moeten zij opnieuw vee verkopen. Stoommachines pompen de polders leeg. In juni is het water verdwenen, maar de landerijen zien er dor uit en op vele plaatsen zijn ze met een witte zoutkorst bedekt. Pas in de zomer van 1826 is de grond weer helemaal droog