document -

een verzwegen familiedrama

door Martin Rep

Jongens waren het, echte kwajongens. De oudste van het viertal was Simon Rep. De andere drie waren zijn jongere broer Tinus, dertien jaar; Jakob de Boer, twaalf jaar en Pieter Schouten, elf jaar. Pieter was net als Simon al aan het werk als kuipersjongen. Op maandag 10 augustus 1857 hadden ze met z’n vieren rondgehangen in hun dorp Oostzaan; waarom Siem en Pieter niet bij hun baas waren, weet ik niet. Ze praatten wat en dolden wat, tot op een gegeven moment een van de jongens een opmerking maakte over de peren in de boomgaard van Klaas Brat, die er wel erg goed uitzagen.

perenboom
Tinus zag eens peren hangen ...

Dat vonden ze allemaal wel. Peren stonden bepaald niet op hun dagelijks menu. Hoe langer ze erover praatten, hoe lekkerder de vruchten hun toeschenen. Een paar peren zou Brat toch niet missen? Om in de tuin van Brat te komen, moesten ze over een brede sloot. Voor de jongens geen probleem: ze wisten wel een schuitje te liggen.

Hoe het verder verliep werd duidelijk op maandag 22 februari 1858 bij de rechtbank in Haarlem. Drie rechters keken van achter hun hoge zitplaats de zaal in. In hun zwarte toga’s met witte bef zagen ze er streng uit. President was mr. Floris Willem Baron van Styrum (56), die bekendstond als een verdienstelijk edelman uit een regentenfamilie. Zijn mede-rechters waren mr. Teding van Berkhout en mr. Enschedé. Achter het katheder naast de rechters stond mr. L.G. Vernée, de substituut-officier van justitie. Mr. Van Bommel, de substituut-griffier, riep de volgende zaak af. De parketwachter liep naar de gang, maar kwam al na enkele seconden terug in de zaal. “De beklaagden zijn niet aanwezig”, zei hij.

Het was niet ongebruikelijk dat beklaagden niet verschenen bij een terechtzitting in Haarlem. Reizen was in die tijd een omslachtige onderneming. Weliswaar was de Noord-Hollandse provinciehoofdstad sinds 1839 via de spoorlijn verbonden met Amsterdam, maar erg uitgebreid was het spoornet nog niet. Veel reizen werden nog per trekschuit afgelegd. Een paar maanden eerder, 12 november 1857, waren de vier trouwens wel verschenen voor de rechtbank. Hoe ze de reis van zo’n 25 kilometer van Oostzaan naar Haarlem hadden afgelegd, is onbekend. Maar in ieder geval maakten zij de tocht helemaal voor niets. Een van de getuigen was ziek geweest, waarop de rechtbank de behandeling voor onbepaalde tijd had uitgesteld.

de zaak Rep
In Naam des Konings. Het vonnis tegen de vier verdachte jongens.

De zaak tegen de vier knapen zonder getuige behandelen ging niet, maar zonder de verdachten kon hij best doorgaan, zo besloot Baron van Styrum. Dus kregen nu de twee getuigen het woord: Klaas Brat Klz. en zijn dienstmeid Aafje Out. Toen Aafje aan het woord kwam, ontrolde zich het drama in volle omvang. Het was Aafje die de vier jongens in de tuin van ‘haar meister’ Klaas Brat betrapte. Ze zag hoe ze met stokken in de bomen sloegen, de peren opraapten die op de grond vielen en in hun schuit gooiden. Aafje bedacht zich geen moment en waarschuwde meneer Brat.

Welke Brat het geweest is bij wie de jongens op perenjacht gingen, is niet met honderd procent zekerheid vast te stellen. De rechtbank noteert hem alleen als ‘Klaas Brat Klz.’, zonder geboortedatum. Aangezien hij blijkbaar een tuin had met op zijn minst een flink aantal perenbomen, moet het een welgesteld persoon zijn geweest, en de naam Brat kwam, en komt nog steeds, weinig voor. De veronderstelling dat ‘Klaas Brat Klz.’ de zoon was van de steenrijke Oostzaanse stijfselmaker en mosterdfabrikant Claas (of Klaas) Brat Hendrikz (1787-1851), lijkt dan ook geen al te grote gok. Joop Giesendanner van de Oudheidkamer Oostzaan, die op mijn verzoek in de archieven is gedoken, onderschrijft mijn conclusie. Het portret van Brat senior, geschilderd door Barend Wierts Kunst, hangt nog altijd in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem, als voorbeeld van een welgesteld iemand in Zaanse klederdracht.

Klaas Brat Kzn
Het portret van Klaas Brat Klz in Zaanse klederdracht, geschilderd door Barend Wierts Kunst.

Zoon Klaas, geboren in 1820 en tijdens de rechtszitting in Haarlem 37 jaar oud, zette na de dood van zijn vader de zaken voort, samen met zijn broer Hendrik. Op het roepen van zijn dienstmeid Aafje rende Klaas Brat naar zijn boomgaard, net op tijd om te zien hoe de jongens in het schuitje sprongen en afduwden. Hun veiligheid op het water was echter maar schijn. Ongetwijfeld kende Brat een of meer van de jongens, of anders wist Aafje wel wie het waren.

“Kom hier met dat bootje, vuile dieven!”, brulde Brat.
“Dat willen we wel doen, als we niet naar Haarlem hoeven”, was het antwoord.

‘Haarlem’, dat stond voor de rechterlijke macht, voor het gevang. Wie van de jongens dat zei en of Klaas Brat daarop heeft gereageerd, heeft de rechtbank niet onderzocht. Hoe dan ook, de jongens hadden weinig keus. Ze gooiden een paar peren in het water, toen brachten ze de schuit weer aan wal.

Heeft Brat ze een pak rammel gegeven en de kinderen gewaarschuwd voortaan van zijn peren af te blijven? Hun ouders laten ontbieden met de boodschap dat ze beter moesten letten op dat tuig, dat opgroeide voor galg en rad? Het verslag van substituut-griffier Van Bommel zwijgt daarover. Misschien heeft Brat dat wel gedaan. Maar hij liet het er ook niet bij zitten. Hij ontbood de veldwachter, die alles nauwkeurig noteerde en er proces-verbaal van opmaakte. De jongens zouden wel degelijk te maken krijgen met de harde hand van ‘Haarlem’.

Het is niet niks, wat de rechtbank over het ‘wanbedrijf’ heeft opgesteld. Ik heb in het Provinciaal Archief in Haarlem de dikke ordner ter inzage gekregen waarin de vonnissen van 1858 staan opgeschreven. De behandeling van de zaak tegen mijn over-opa, zijn broer en hun twee vrienden in het kwaad, beslaat liefst vier pagina’s in het sierlijke handschrift van de dienstdoende klerk, en is ondertekend door de drie rechters en de griffier. Er staat een samenvatting in van de getuigenissen van Brat en zijn dienstmeid, en de wetsartikelen die van toepassing zijn, worden kort genoemd.

Maar wat vooral opvalt is dat hier vier kinderen – de oudste, Tinus’ broer Simon, is een maand eerder net vijftien geworden – terechtstaan in een openbare zitting voor de meervoudige kamer van de rechtbank. Er wordt in het vonnis dan ook uitgebreid stilgestaan bij de jeugdige leeftijd van de verdachten. Of daar veel discussie over geweest is, valt overigens niet op te maken uit het verslag. Maar de heren rechters zijn het eens met de officier van justitie: de jongens hadden met oordeel des onderscheids gehandeld. Immers: toen Brat eraan kwam rennen, hadden de knapen zich uit de voeten gemaakt, ze hadden peren in het water gegooid en ze hadden Brat verzocht hen niet voor de rechter te brengen. ‘[hetgeen] genoegzaam aantoont dat zij zeer wel wisten, dat zij eene bij de wet strafbare daad pleegden, en dat zij dus met oordeel des onderscheids hebben gehandeld’. Punt, uit. Het maakte de rechters blijkbaar niet uit wie de leiding had gehad bij de jongens of wie van hen het over ‘Haarlem’ had gehad. Pieter van elf kreeg het net zozeer voor zijn kiezen als Siem van veertien. En wat hadden de te water gegooide peren ermee te maken? Werd dat beschouwd als een arglistige poging tot het verdonkeremanen van bewijsmateriaal?

Het vonnis loog er niet om en moet keihard zijn aangekomen in Oostzaan. Alle vier de jongens werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht dagen. Wat minstens zo erg was: ze moesten ook de kosten van de rechtszaak betalen, per persoon 12,63 gulden plus een halve cent. Dat moet een zware last zijn geweest voor Tinus’ gezin, die 25,27 gulden voor de kwajongensstreek van zijn oudste twee knullen.

boek met vonnis
Terug naar het depot: het oude boek met het harde vonnis tegen vier knapen.

Zouden de vier jongens echt de gevangenis zijn ingegaan, vraag ik aan archiefmedewerkster Gerda Houweling, als ik het boek heb teruggedaan in de ordner. Ik kan me niets voorstellen bij vier kinderen die acht dagen lang worden opgesloten in de afschuwelijke en deprimerende omgeving van een huis van bewaring. Maar Gerda geeft me weinig hoop. “Veroordelingen toen, daar was geen ontkomen aan”, zegt ze. De informatie over hun hechtenis echter is waarschijnlijk niet bewaard gebleven. In het vonnis staat geen huis van bewaring vermeld waar de straf moest worden ondergaan. Ze kunnen hebben gezeten in Haarlem, maar ook in Purmerend of in Alkmaar. “Of – het waren immers jongeren – ze zijn gestuurd naar het opvoedingsgesticht in Veenhuizen. Helemaal in Drenthe, maar daar zaten ze niet mee in die tijd.”

Een uitgebreidere versie van dit verhaal staat op MARTIN REP Online:
http://www.martinrep.nl/zaan/familiedrama.html